Arash Aazami (1977) studeerde aan het conservatorium af als jazzmuzikant en maakte carrière in de IT. Inmiddels omschrijft hij zichzelf als een ‘serial innovator’. Hij haalt voldoening uit het oplossen van schijnbaar onmogelijke vraagstukken, met name op het gebied van energie en energietransitie. “Dat zijn voor mij interessante puzzels om te kraken.”

Wanneer raakte je geïnteresseerd in duurzaamheid?

“Ik zou het zelf omschrijven als een bijdrage leveren aan een betere wereld. Dat heeft er altijd al ingezeten. Ik kom dan ook uit een nest van ontwikkelingswerkers. In 2004 besloot ik om er actief iets mee te gaan doen, om werk te gaan doen waarmee ik de wereld van nut kon zijn. Daar ging een periode aan vooraf waar ik volgens het imago van de succesvolle IT’er leefde. Tot de bubbel klapte, zowel professioneel als privé. Ik raakte al mijn materiële bezit kwijt. Toen kwam het besef: nu ik toch niets meer te verliezen had, kon ik beter dienend werk gaan doen. Om in de IT-sfeer te blijven – het was tijd voor een harde reset.”

Energie en met name energietransitie lijken de laatste tien jaar de rode draad in je carrière.

“Energie is een van de basisbehoeften van de mens. Een miskende basisbehoefte, die het tot de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens had moeten schoppen. Artikel 25 zou herschreven moeten worden, want ieder mens heeft recht op een schone energievoorziening. Ik heb vier jaar een dochter van Eneco geleid. Daar heb ik veel geleerd over het systeem. Wat er mis is? In de energiesector is alle waardecreatie gebaseerd op het schuiven met volumes. Hoe meer kilowatturen je verkoopt, hoe meer je verdient. Ik merkte dat er behoefte was aan energiebedrijven die daar niet afhankelijk van zijn. Dat idee groeide in 2010 uit tot BAS Energie (afkorting voor Beneficial to All Stakeholders, red.) en de Weg Naar Nul. Voor een vast bedrag per maand ontvangen BAS-gebruikers de hoeveelheid energie die ze nodig hebben en worden er tegelijkertijd maatregelen getroffen om te besparen en uiteindelijk op een duurzame manier zelf energie op te wekken. Een idee dat via omwegen steeds meer navolging krijgt. Leidende energiebedrijven zijn bezig met nieuwe businessmodellen, geënt op het model van BAS.”

En toch: in januari van dit jaar ben je bij BAS vertrokken. Waarom?

“Het model had zichzelf bewezen. Ik wilde door. Nog steeds hebben 3,5 miljard mensen geen toegang tot energie en zijn er 3,6 miljard afhankelijk van fossiele bronnen. Als ik was gebleven, was mijn impact beperkt gebleven tot het bereik van BAS. Het is mijn ambitie om bij te dragen aan de energietransitie in het algemeen.”

Waar ben je nu mee bezig?

“Ik ben actief als spreker en geef gastcolleges op universiteiten. Ook bied ik verschillende organisaties, zoals Alliander, ENGIE en het Internationaal Energie Agentschap, strategisch advies op het gebied van energievoorziening en duurzame waardecreatie. Ik ben ook bezig met een nieuw initiatief in Kenia. Het bevindt zich nog in rudimentaire fase, maar het gaat om de ontwikkeling van een nieuw economisch model, the economy of abundance. In dit model zien we energy as a currency. We willen de bevolking bekrachtigen om op eigen kracht energie op te kunnen wekken uit een schone bron. Je schept zo je eigen valuta. Een voorbeeld? Wanneer een Keniaanse vrouw haar op hout gestookte fornuis vervangt door een fornuis op zonne-energie, hoeft ze geen hout meer te sprokkelen. Er blijft tijd over voor zelfontplooiing en ontwikkeling. Zo wordt het hele gezin vooruit geholpen.”

Ik hoorde dat je ook een aantal start-ups begeleidt. Wat hebben ze met elkaar gemeen?

“Het zijn er een stuk of acht, zoals Masar (dat hernieuwbare energieprojecten in Egypte initieert) en The City Game (een platform voor nieuwe valuta in Athene). Wat ze gemeen hebben, is een intrinsieke motivatie om iets bij te dragen. Een zuivere motivatie. Sommige start-ups overgieten hun initiatief met een duurzaam sausje, puur om er meer op te kunnen verdienen. Ik help mensen waarvan ik weet dat ze hun werk ook vrijwillig zouden doen.”

Geldt dat ook voor jou?

“Zeker.” Lachend: “Sterker nog, ik doe dit voor een groot deel vrijwillig. Niet zo goed voor je portemonnee.”

Dit interview is verschenen in Milieumagazine 9-2015.