In opdracht van Save the Children en Giro 555 reisde documentair fotograaf Chris de Bode in november 2014 naar Liberia. Hij volgde de Liberiaanse ‘zusjes’ Phoebe (6 jaar) en Mary (11 maanden). De meisjes zijn op elkaar aangewezen, nu de rest van hun familie ziek of al overleden is. De Bode is een fotograaf met een missie. “In de media zien we de meest vreselijke beelden. Ik wil de mensen in beeld brengen die de kijker eigenlijk nooit te zien krijgt en hun verhaal op een meer integere en humane manier vertellen.”

De eerste confrontatie met het ebolavirus vindt plaats op de terminal van de Liberiaanse luchthaven. Fotograaf Chris de Bode mag het land pas in als zijn temperatuur gemeten is en hij safe blijkt. Toch komt Liberia op het eerste gezicht niet over als een land in crisis. “Tot ik er dieper in ging duiken”, zegt hij nu. “Toen zag ik de ziekte overal. In de flesjes zeep en emmers chloorwater die bij de voordeur stonden, in de manier waarop mensen elkaar begroetten. Ze omhelzen niet meer, maar tikken elkaar met de ellenbogen aan. De kinderen speelden overdag op straat, want de scholen waren dicht – op plaatsen waar veel kinderen samenkomen is het besmettingsgevaar te groot. Tijdens kerkdiensten hielden de mensen meer afstand van elkaar, op de markt scharrelde iedereen om elkaar heen. Ik kocht een lokale simkaart. Als ik iemand belde, moest ik eerst een bericht over het virus afluisteren. Het voelde alsof Liberia in oorlog was met een onzichtbare vijand.” De Bode verblijft een week in Liberia. Om af te mogen reizen, moet hij eerst een tweedaagse veiligheidstraining in Londen volgen. De protocollen gaan ver. Afstand houden, geen fysiek contact, plaatsen waar mensen op grote schaal samenkomen vermijden, weg blijven van zieke en overleden patiënten en vooral: heel vaak je handen wassen. “Dertig tot veertig keer per dag”, zegt De Bode. “Je bent er continue alert op. Als je iets koopt en wisselgeld ontvangt, moet je daarna direct je handen wassen. Je weet immers niet wie dat geld vóór jou heeft aangeraakt.”

‘Toen ik er dieper in ging duiken, zag ik de ziekte overal. Ook in de manier waarop mensen elkaar begroeten’

Dorp in quarantaine

Zijn opdracht: de gevolgen van de humanitaire ramp in beeld brengen. Hij is vrij in de invulling. “Vooral moeders lopen grote kans om ziek te worden, onder andere omdat zij het voortouw nemen in begrafenisrituelen. Het groeiende aantal weeskinderen is een heel groot probleem in Liberia. Daarom koos ik ervoor om kinderen te volgen van wie de ouders ziek zijn.” Hij vindt zijn hoofdpersonen, Phoebe en Mary, ‘verontrustend snel’. De meisjes zijn feitelijk tante en nichtje, maar ze groeien op als zusjes binnen een extended family in het afgelegen Taylortown. Na een uitbraak in het dorp is de familie ondergebracht in een Ebola Treatment Unit (ETU). De ouders, grootouders, tantes en ooms blijken besmet; alleen Phoebe en Mary worden negatief getest. Het regiokantoor van Save the Children krijgt een telefoontje – de meisjes hebben opvang nodig. Het wordt een tijdelijk opvanghuis in hoofdstad Monrovia, vijf uur verderop. De Bode is erbij als de meisjes worden opgehaald. Ondertussen is het dorp volledig onder quarantaine geplaatst.

Klein verhaal, groot leed

Langzaam wordt duidelijk wat er gebeurd is. Een paar weken eerder ontsnapte een besmette man uit een ETU in hoofdstad Monrovia. Hij zoekt toevlucht bij zijn vader – Phoebe’s vader – in Taylortown. Phoebe’s vader is medicijnman en probeert de jongen thuis te genezen. Hij herkent de symptomen van het virus niet. Als de jongen overlijdt, krijgt hij de gebruikelijke begrafenisceremonie. Hij wordt gewassen door zijn naasten en ligt drie dagen lang opgebaard. “De gemeenschap houdt Phoebe’s vader verantwoordelijk voor de uitbraak. De man is met pek en veren het dorp uitgejaagd.” De Bode zoekt Phoebe en Mary op in het Interim Care Center (ICC). Daar slaat het noodlot opnieuw toe. Phoebe, die als een moeder voor haar nichtje zorgt, slaat alarm omdat de kleine warm aanvoelt. Mary blijkt 39,2 graden koorts te hebben. Ze wordt door mensen in witte pakken meegenomen. Phoebe blijft huilend achter. Alleen. De Bode ziet het voor zijn ogen gebeuren. “Ik kon niets doen. Ik mocht haar niet aanraken, want het was goed mogelijk dat ze zelf ook besmet was. Het was een hele ongemakkelijke situatie.” Hij gaat verder: “Het is een klein verhaaltje, maar met een ontzettend groot leed. Slechts vier van de vijfentwintig familieleden hebben de ziekte overleefd. De hele gemeenschap is uit elkaar geslagen.” Mary en haar moeder Evelyn (17) hebben het gehaald, weet hij. De meisjes zijn weer herenigd.

 ‘Slechts vier van de vijfentwintig familieleden hebben de ziekte overleefd. De hele gemeenschap is uit elkaar geslagen’

Op een humane manier

Zijn foto’s schetsen situaties op een manier die de geportretteerden in hun menselijke waarde laat. “We zien al genoeg beelden van mensen in plassen ellende. Ik was in Ivoorkust tijdens de burgeroorlog. Hét beeld van het conflict was een foto van een man die met een machinegeweer over een vuur springt. In zijn haar zaten allerlei takken gestoken. Dit soort geweldsfoto’s stigmatiseren ontzettend. Daardoor vergeet je als kijker dat het conflict ook een heel andere kant heeft. Mensen kunnen niet meer naar hun werk, kinderen niet meer naar school… Zij lijden ook onder de oorlog. Die mensen zie je in de media nooit. Met mijn werk probeer ik hun situatie meer inzichtelijk te maken.” Om de privacy van Phoebe en Mary te waarborgen en te voorkomen dat ze het stempel ‘ebola patiënt’ voor de rest van hun leven met zich meedragen, zijn hun namen gefingeerd en zijn ze zoveel mogelijk onherkenbaar in beeld gebracht. Een fotoredactrice van het Duitse weekblad Der Spiegel prees de serie: niet eerder was het verhaal op zo’n humane manier verteld. “Dat was voor mij een heel belangrijk compliment.”

Mary’s temperatuur wordt gemeten. Die is veel te hoog. De ambulance wordt meteen gebeld. (Fotografie, editie februari 2015 / foto: Chris de Bode)